Bekende grootmeesters

Xenophon 430 – 354 v Chr.
Xenophon was de zoon van een rijke Griek uit Athene. Hij vocht te paard bij de Griekse Cavalerie in vele veldslagen. Zijn boek “Peri Hippikes” (“Over de rijkunst”) geldt als de eerste volledige rijleer van de wereld. Hij wordt gezien als de eerste oude grootmeester.

Xenophon vond het nodig om een paard eerst te begrijpen in zijn natuurlijke geschiktheid en temperament zodat brute kracht in de mond van het paard niet nodig is. Xenophon was ook de eerste die het paard als partner zag. Hij hechtte veel waarde aan het gymnastiseren van het paard zodat een paard gezond behouden kon worden, zowel fysiek als psychisch.

Renaissance: Koningen te paard

Antoine de Pluvinel 1555 – 1620
Antoine de Pluvinel geldt als één van de belangrijkste ruiters en leermeesters van de renaissance. Zijn werk “L’instruction du Roy en l’exercise de monter à Cheval” uit 1625 laat het rijonderricht zien van koning Lodewijk XIII.

Pilarenarbeid
Pluvinel startte de opleiding van een paard aan de enkele pilaar om daarna het paard tussen twee pilaren verder te ontwikkelen.

Vervolgens werd het werk aan en tussen de pilaren herhaald met een ruiter op de rug van het paard. Eenmaal bekend met de ruiterhulpen ging het paard los van de pilaren.

Volte
Pluvinel schets vele malen in zijn boek dat de volte de aller moeilijkste oefening is.

“Als we jonge paarden zien lopen dan zien we soms hoe ze vrijwillig de mooiste verzamelde gangen en hogeschool sprongen maken, ook de halve of een kwart volte, maar nóóit een hele volte.”

Rechtrichten
Pluvinel schetst in zijn boek over rechtrichten: “Als het paard niet gehoorzaam zijwaarts wil gaan, kan het ook geen goede volte lopen.”

Barokke tijd: rijkunst als kunst

François de la Guérinière 1688 – 1751
François de la Guérinière wordt beschouwd als een genie in de rijkunst en overtrof veel van wat zijn voorgangers deden. In 1730 schreef hij het boek “Ecole de Cavalerie” (Rijkunst) en 26 jaar later kwam er nog een 2e boek uit: “L’Art de Cavalerie”.

In zijn tijd streden de vorsten niet meer aan het front. De wapenkunst verloor langzaam aan gewicht en begon de recreatieve rijkunst L’Art pour L’Art (de rijkunst voor de rijkunst). Het hoogste doel was niet langer een strijdros maar een luxe paard die mooi was en elegant kon bewegen. De rijkunst leidde paarden op tot goed geschoolde, wendbare, verzamelde paarden die op elegante wijze de moeilijkste oefeningen konden uitvoeren.

"Een paard dat zich niet laat buigen is niet losgelaten in zijn rug en kan daarom ook geen moeilijke oefeningen leren.”

Methodisch
In zijn boek hanteert hij als eerste een volwaardige methodische opbouw, met daarin een volledige omschrijving en indeling van alle gangen en oefeningen. Zijn opleidingsprincipes waren: gehoorzaamheid, durchlässigkeit, losgelatenheid en verzameling.

Halve ophouding
Guérinière vond de halve ophouding uit die het paard zacht remt. Voor hem hadden alle grootmeesters hun paard met terugwerking in de mond halt laten houden en werden de paarden met kracht stil gezet. Guérinière ontdekte de juiste mix van gewicht-, been- en teugelhulpen die leidde tot de halve ophouding.

Schouderbinnenwaarts op de rechte lijn
Guérinière ontdekte ook de schouderbinnenwaarts op de rechte lijn, in plaats van alleen maar op de volte. Hij stelde vast dat de schouder van het paard teveel belast werd op de volte. Hij ontwikkelde deze oefening op de rechte lijn om het paard fijn over de rug te krijgen en uit te balanceren.

Piaffe
De piaffe werd de basis voor de rijkunst. Zijn principe voor piaffe was het verzamelen vanuit de achterhand. De verzameling moest ontspannen worden uitgevoerd, zonder hevige druk. Als het paard vanuit de lendenen kan buigen (wat 6 tot 8 jaar kan duren) is het geschikt om de oefeningen van de hoge school te gaan beoefenen.

Van cavalerie tot rijpaard

Gustav Steinbrecht 1808 – 1885
De cavalerie gebruikte Engelse volbloeden en warmbloeden die snel moesten zijn met hun krachtige stuwende achterhand vanwege de inzet van kanonnen op het slagveld.

Gustav Steinbrecht ontwikkelde een trainingsmethode voor de Pruisische cavalerie. Met als doel dat de rekruten op hun remontes verder konden trainen en hun paarden in conditie konden houden tijdens de lange marsen naar het volgende slagveld.

In 1886, een jaar na zijn dood, verscheen zijn boek “Das Gymnasium des Pferdes”. Hij schreef het boek voor de moderne cavalerie zodat onervaren ruiters op onervaren paarden verantwoord konden rijden. Terwijl de troepen naar voren reden ontdekte hij dat de soldaten door stelling, buiging en zijgangen hun paarden konden rechtrichten en dat door het ondertreden van de achterhand de paarden werden voorbereid voor de verzameling. Van daaruit ontstond zijn beroemde zin: 

“Rijdt uw paard voorwaarts en richt hem recht”.

Helaas wordt deze zin vaak fout geïnterpreteerd:

  • Veel paarden worden tegenwoordig met teveel stuwkracht naar voren gereden in een houding zonder stelling en buiging. Terwijl deze zin juist bedoeld was tijdens het voorwaarts gaan van de troepen zodat de soldaten via schouderbinnenwaarts, travers en renvers de paarden konden rechtrichten. De paarden kwamen hierdoor beter op het achterbeen en werden wendbaar en buigzaam.

 De officiersrijkunst stierf uit. De gepantserde voertuigen wonnen het van de paarden. Het paard had zijn diensttijd er op zitten. Ook de rijkunst uit de Barokke tijd is tot op de dag van vandaag niet meer geëvenaard.

Speciale dank aan Marijke de Jong van Paardenbegrijpen voor het verzamelwerk en alle interessante informatie.

Copyright © 2016 Fijne Rijkunst. Alle rechten voorbehouden. Webdesign door Internetbureau Antum